Wereldvrouwen dag

Gisteren om 8 uur ontving ik een SMS van een vrouwelijke bestseller-auteur. “Ben je al wakker? Ik zit in de problemen en je moet me helpen!”. Natuurlijk was ik wakker want de kinderen moeten naar school en de schoorsteen moet ook roken. Wat dacht ze wel niet? Alsof ik de hele dag in kamerjas op slippers op goddelijke inspiratie zit te wachten.
Ze was net een week naar Frankrijk geweest om te werken aan een nieuw boek. En aan drie columns. En nu was ze alles kwijt. En de deadline was die ochtend. Ze klonk wanhopig. “Kom maar langs”, zei ik. “Het komt wel goed, geloof me maar.”
Om kwart over negen stond ze voor de deur. Ik zag direct dat het mis was. Zo sterk en zelfverzekerd als ze normaal gesproken oogt, zo breekbaar en neurotisch was ze nu. Ik gaf haar koffie en herhaalde nog maar eens dat alles goed zou komen. Dat hield ik mezelf ook voor, maar mijn zelfvertrouwen liep een aardige deuk op toen ze de laptop uit haar tas opdiepte. Het was een minuscuul ding, zo’n Asus EEE PC.
Alsof de bereden politie met My Little Ponies voetbalhooligans te lijf gaat. Of een timmerman die met een figuurzaagje een raveelbalk op maat probeert te maken.
“Heb je daar een halve roman op getikt?” vroeg ik.
“Ja, maar nu is het kwijt.”
“Laat maar even kijken”, zei ik.
Het toetsenbord was zo klein dat elke aanraking een enorme letterbrij opleverde. De muis leek te heet gewassen, en het aanwijzertje vloog nerveus alle kanten over het scherm. Het zag er niet goed uit. Er was één meevallertje: de verloren gewaande bestanden stonden toch op het apparaat, zij het in diverse stadia van voltooiing.
“Ik heb een pieletje meegenomen”, zei mijn schrijversvriendin, die landelijke bekendheid geniet als pieletjesexpert. Ze bedoelde een USB stick. We probeerden de bestanden op de stick te zetten. Het lukte niet. Pieletje was onbenaderbaar. We initieerden een vers, maagdelijk pieletje. Ook geen resultaat.
Ik stelde voor om verbinding met netwerk te maken, dan konden we de bestanden mailen. Werkte niet, geen verbinding mogelijk, ook niet met het gastnetwerk dat ik voor de gelegenheid wagenwijd open had gezet.
Printen dan? Ik sloot de printer aan. Die werd herkend, maar spuugde slechts blanco velletjes uit.
Op zo’n moment voel je je als de arts die tegen de ouders van een kind met hersenschade moet vertellen dat de kans op goede afloop niet zo groot is.
Herstarten was de enige optie. Maar het risico dat daarmee alles voorgoed verdween leek me ook levensgroot. En wie zou dan de schuld krijgen? Precies!
Inmiddels was het over tienen. De redactie zou zo gaan bellen waar die columns toch bleven.
“Dicteer maar”, zei ik. “Ik tik wel.” En zo ging het. Zij las voor van het scherm van haar kabouter PC, ik tikte op mijn eigen computer, en leerde ondertussen van haar puntige dialogen hoe je echt goed schrijft. En toen even later haar gehandicapte lilliputter spontaan met internet verbond, mailden we als een speer het manuscript van haar roman naar mijn mailadres.
“Nu moet je weer gaan, want je wordt zo in Alkmaar verwacht”, zei ik om 11 uur. Ze keek me stomverbaasd aan. “Dat was ik bijna vergeten! Maar hoe weet jij dat?” vroeg ze.
“Stond op Twitter. Een boekhandelaar heeft het al dagen over niets anders.”
Ik programmeerde de bestemming in haar MIO navigator, liet haar uit, trok mijn kamerjas en slippers aan, en ging weer aan de slag.


